logo

Persoonsgebonden factoren

Jaar Totaal overgewicht, mannen Totaal overgewicht, vrouwen Aandeel obesitas, mannen Aandeel obesitas, vrouwen
Overgewicht en obesitas onder 20-plussers, 1981-2012  (Bron: CBS)[Percentage][step=5][marker=0]
1980        
1981 37,2 29,8 4,1 6,4
1982 36,4 29,6 3,7 6,2
1983 36,7 30,3 3,9 6,0
1984 38,3 29,2 4,1 6,7
1985 38,0 28,4 3,7 6,4
1986 37,7 31,1 3,6 6,4
1987 39,4 30,9 4,2 6,6
1988 37,8 30,4 3,6 6,2
1989 39,1 32,2 5,1 7,8
1990 39,6 30,7 5,3 7,1
1991 39,4 31,2 5,1 6,7
1992 40,7 32,8 4,9 8,1
1993 40,8 32,4 5,6 6,9
1994 44,2 32,9 6,8 7,4
1995 41,2 34,9 5,7 8,6
1996 42,2 35,9 6,0 8,2
1997 44,4 36,9 6,9 9,8
1998 43,8 37,5 6,9 10,2
1999 46,9 38,1 7,2 10,5
2000 47,9 40,8 8,6 10,7
2001 50,1 39,9 8,4 10,8
2002 50,8 39,4 8,8 11,3
2003 51,2 41,5 9,4 12,7
2004 51,5 42,3 10,0 12,7
2005 50,5 40,0 10,1 12,0
2006 51,2 42,3 9,9 13,3
2007 51,3 40,2 10,5 12,7
2008 52,4 41,9 10,1 12,8
2009 52,6 42,2 11,3 12,9
2010 53,6 42,9 10,2 12,6
2011 53,5 43,0 10,2 12,6
2012 53,4 42,3 11,2 12,8

Overgewicht gebaseerd op zelfgerapporteerde gegevens over lengte en gewicht.            
Overgewicht. Cijfers zijn gestandaardiseerd naar de leeftijds- en geslachtsverdeling in 1981.

 

De helft van de Nederlanders heeft overgewicht of obesitas

In 2012 heeft de helft (48%) van de Nederlanders van 19 jaar en ouder overgewicht (inclusief obesitas). Meer mannen (53%) hebben overgewicht dan vrouwen (44%). Bij obesitas is dat andersom, meer vrouwen hebben obesitas (14%) dan mannen (11%). Van de jeugd van 2 tot 21 jaar heeft 14% overgewicht, waarvan 2% obesitas. De verschillen in overgewicht tussen leeftijdsgroepen zijn groot: circa 8% van de 2-jarigen en circa 20% van de 21-jarigen is te dik [1].

Stijging overgewicht gestabiliseerd

In 1981 had één op de drie volwassen Nederlanders overgewicht. Sindsdien is het aantal Nederlanders met overgewicht sterk gestegen. De laatste jaren is de stijging echter afgevlakt. De Nederlandse percentages voor overgewicht en obesitas behoren tot de laagste van Europa. Overgewicht en obesitas kunnen leiden tot verschillende ziekten en aandoeningen, zoals diabetes mellitus en hart- en vaatziekten.

Meer informatie

  Mannen Vrouwen
Hypertensie onder 30-plussers, 2008-2010 (Bron: NL de Maat, Blokstra et al., 2011, LASA) [ Percentage]
30-39 jaar 16,6 7,5
40-49 jaar 27,8 14,7
50-59 jaar 47,4 31,5
60-69 jaar 61,8 55,3
70-79 jaar 70,7 69,3
80 jaar en ouder 61,1 66,9

Er is sprake van hypertensie bij een bloeddruk ≥ 140/90 en/of gebruik van bloeddrukverlagende medicatie.            
Cijfers voor 60-69-jarigen zijn voor LASA en NL de Maat vrijwel identiek.
Nederland de Maat (NLdM) 2009-2010 (30-70 jaar)   
Longtitudinal Aging Study Amsterdam (LASA) 2008-2009 (60-100 jaar)

 

 

Een derde van de volwassenen heeft een verhoogde bloeddruk

Van de 30-70-jarigen heeft gemiddeld 31% een verhoogde bloeddruk (hypertensie). Mannen hebben vaker een verhoogde bloeddruk dan vrouwen (37 versus 26%). Het percentage mensen met een verhoogde bloeddruk neemt toe tot de leeftijd van 80 jaar. In die leeftijdsgroep heeft zeven op de tien een hoge bloeddruk. Daarna neem het percentage weer wat af [2]. Het percentage mannen met verhoogde bloeddruk lijkt tussen 1993-1997 en 2009-2010 te zijn gestegen.

Meer informatie

Bloeddruk op www.nationaalkompas.nl
Nederland de Maat genomen op www.rivm.nl

  Mannen, hypercholesterolemie Vrouwen, hypercholesterolemie
Hypercholesterolemie in Nederland (NL de Maat, Blokstra et al., 2011)[ Percentage]
30-39 jaar 12,5 4,4
40-49 jaar 14,7 10,3
50-59 jaar 32,3 31,9
60-70 jaar 39,7 47,9

Er is sprake van hypercholesterolemie bij een totaalcholesterolgehalte ≥ 6,5 mmol/l en/of gebruik van cholesterolverlagende medicijnen.

 

Een kwart van de Nederlanders heeft een te hoog cholesterolgehalte

In 2010 had gemiddeld 23% van de Nederlanders tussen de 30 en 70 jaar hypercholesterolemie, mannen (24%) iets vaker dan vrouwen (23%). De percentages nemen toe met de leeftijd. Onder Nederlanders van 50 jaar en ouder komt hypercholesterolemie twee maal zo vaak voor als onder 40-49-jarigen. Door verschillen in onderzoeksmethoden zijn er geen harde uitspraken te doen over trends in het percentage mensen met een ongunstig cholesterolniveau. Wel is duidelijk dat het gebruik van cholesterolverlagende medicijnen is toegenomen.

Meer informatie

Serumcholesterol op www.nationaalkompas.nl
Nederland de Maat genomen op www.rivm.nl

Percentage mensen met weinig gezondheidsvaardigheden in 8 EU-landen, 2012 (Bron: HLS-EU Consortium, 2012) [Percentage]
  %  weinig gezondheidsvaardigheden
Nederland 28,7
Ierland 40
Polen 44,6
Griekenland 44,8
Duitsland 46,3
Oostenrijk 56,4
Spanje 58,3
Bulgarije 62,1

Veel Nederlanders hebben weinig gezondheidsvaardigheden

Ongeveer 29% van de Nederlandse bevolking van 16 jaar of ouder heeft weinig gezondheidsvaardigheden. Dit is aanzienlijk lager dan het Europees gemiddelde van 47%. Mensen met weinig gezondheidsvaardigheden, hebben vaak een laag opleidingsniveau en een laag inkomen. Dit blijkt uit een Europese studie waarin mensen is gevraagd in hoeverre zij moeite ervaren met het omgaan met gezondheidsinformatie [3]. Een ander onderzoek schat het percentage Nederlanders van 25 tot 65 jaar dat weinig gezondheidsvaardigheden heeft hoger, op 54% [4]. Deze schatting is gemaakt op basis van taken die mensen moesten verrichten. De verschillen in meetinstrumenten tussen de studies verklaren mogelijk het verschil tussen beide schattingen. Ongeveer tien procent van de Nederlandse beroepsbevolking is laaggeletterd.

Ruim de helft van de mensen heeft een sterke Sense of Coherence

Het begrip Sense of Coherence (SOC) is nauw verwant aan gezondheidsvaardigheden. Mensen met een sterke SOC ervaren de wereld als begrijpelijk, hanteerbaar en betekenisvol. Ruim de helft van de volwassenen heeft een sterke SOC. Net als gezondheidsvaardigheden hangt ook SOC samen met opleidingsniveau [5].

Mensen met voldoende gezondheidsvaardigheden en sterke SOC zijn gezonder

Mensen met voldoende gezondheidsvaardigheden ervaren hun gezondheid vaker als goed dan mensen met weinig gezondheidsvaardigheden. Daarnaast hebben zij minder vaak één of meerdere chronische ziekten dan mensen met weinig gezondheidsvaardigheden [3]. In het geval van een (chronische) ziekte, zijn mensen met gezondheidsvaardigheden beter in staat hun ziekte te managen [6]. Ook SOC hangt samen met een betere gezondheid. Verschillende onderzoeken tonen een positieve relatie aan tussen SOC en een betere mentale gezondheid, een beter vermogen tot coping (omgaan met stressoren), een betere kwaliteit van leven en een lagere sterfte [5, 7].

Meer informatie

Gezondheidsvaardigheden op www.nationaalkompas.nl
 

  1. Schönbeck Y, Talma T, Dommelen P van, Bakker B, Buitendijk SE, HiraSing RA, et al.Increase in Prevalence of Overweight in Dutch Children and Adolescents: A Comparison of Nationwide Growth Studies in 1980, 1997 and 2009. PLoS ONE, 2012; (6): e27608.
  2. Blokstra A, Vissink P, Venmans LMAJ, Holleman P, Schouw YT van der, Smit HA, et al.Nederland de Maat Genomen, 2009-2010. Monitoring van risicofactoren in de algemene bevolking. RIVM-rapport nr. 260152001/2011. Bilthoven, 2011.
  3. HLS-EU Consortium (2012): Comparative report of health literacy in eight EU member states. The European Health Literacy Survey HLS-EU, online publication: http://www.health-literacy.eu
  4. Heide I van der, Wang J, Droomers M, Spreeuwenberg P, Rademakers J, Uiters E.The relationship between health, education and health literacy: results from the Dutch Adult Literacy and Life Skills Survey ingediend.
  5. Steffie Janssen ‘Salutogenese in de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2014’& ‘De Sense of Coherence in Nederland’ Masterthesis. Wageningen University. In opdracht van het Centrum voor Volksgezondheid Toekomstverkenningen, RIVM. April 2012
  6. Al Sayah F, Majumdar SR, Williams B, Robertson S, Johnson JA. Health literacy and health outcomes in diabetes: a systematic review. J Gen Intern Med,2012; 28(3)(doi: 10.1007/s11606-012-2241-z): 444-52.
  7. Super S, Verschuren WMM, Zantinge EM, et al. A weak sense of coherence is associated with a higher mortality risk. J Epidemiol Community Health Published Online,doi:10.1136/jech-2013-203085

Home / Heden en verleden / Determinanten / Persoonsgebonden factoren

Menu